MiMechanicTips & Uitleg

Wat te doen bij CAN-bus communicatiefouten?

By 29 april, 2014 No Comments

Foutcodes die betrekking hebben op het CAN-bus netwerk roepen nogal eens vragen op bij monteurs. Om goed aan het netwerk te kunnen meten is het goed om eerst een indruk te krijgen van de werking van een CAN-bus systeem.

Een CAN-bus systeem bestaat uit een aantal regeleenheden (soms ook wel knooppunten genoemd) die serieel op elkaar zijn aangesloten middels twee communicatiekabels. Elke regeleenheid wordt individueel van spanning voorzien en op de massa aangesloten. De rekeneenheid ontvangt en verzendt via beide communicatiekabels berichten en commando’s. Deze berichten en commando’s kan elke regeleenheid van het systeem gebruiken als informatie of aansturing.

Zowel in het hoge- als het lagesnelheidsnetwerk zijn de regeleenheden op een aantal sporen aangesloten. In geval van een breuk zullen de regeleenheden buiten de breuk niet in staat zijn om te communiceren met andere delen van het netwerk. Een storing in één van de sporen kan echter leiden tot communicatieproblemen met een regeleenheid terwijl de rest van hetzelfde netwerk wel werkt.

Hoge en lage snelheid
Het netwerk bestaat uit twee delen. De hogesnelheidskant (HS CAN) geeft de signalen en berichten door tussen de centrale elektronicamodule (CEM, UCH, BSI) en de regeleenheden in de motorruimte. De lage snelheidskant (LS CAN) geeft de signalen en berichten door tussen de centrale elektronicamodule (CEM, UCH,BSI) en regeleenheden in het interieur en de bagageruimte. De interface tussen de hoge- en lagesnelheidszijden wordt van spanning voorzien door de centrale elektronicamodule (CEM, UCH, BSI) die de verzendsnelheid omhoog of omlaag omzet voor communicatie tussen de twee zijden van het netwerk.

Om elektrische reflecties en storingen in het CAN-bus netwerk tegen te gaan, zijn er eindweerstanden gemonteerd om de CAN H (High) en CAN L (Low) te overbruggen. Op elk eindpunt van zowel de hoge- als de lagesnelheidszijde van het netwerk heeft men een eindweerstand van 120 ohm. Iedere eindweerstand heeft een weerstand van 120 ohm.
Voor de HS CAN (hoge snelheid) zit de aansluitingsweerstand in dit voorbeeld in de stuurwieleenheid (SWM) en de motorregeleenheid (ECM). Voor de LS CAN (lage snelheid) zitten de aansluitingsweerstanden in dit voorbeeld in de bestuurdersinformatieeenheid (DIM) en de SRS-eenheid.

Weerstandmeting
Beide aansluitingsweerstanden creëren een parallel circuit. De volgende weerstanden kunnen onder bepaalde voorwaarden worden gemeten:
Als het CAN-bus netwerk in orde is, bedraagt de weerstand aan elke zijde van het netwerk ongeveer 60 ohm.
Bij breuken in de kabels, zodat één eindweerstand geen deel uitmaakt van het circuit, is de weerstand in het netwerk circa 120 ohm (er wordt alleen een hoofdweg gemeten).
Een breuk in de kabels voor de regeleenheden die “buiten” het opgemeten circuit liggen kan door deze meting niet worden ontdekt.
Bij kortsluiting tussen de communicatiekabels is de weerstand circa 0 ohm tussen de kabels, ongeacht waar de kortsluiting in het circuit zit.
In dit geval zitten de eindweerstanden in de regeleenheden ingebouwd maar dit kan ook op een andere manier gebeuren en is afhankelijk van de systemen die de fabrikant gebruikt. Voor het meten op de juiste pennen is dus een schema nodig om te zien waar de CAN-leidingen op aangesloten zitten.

Weten hoe wij u verder kunnen helpen? Bekijk dan MiMechanic.